Schrijfsels

Naast mijn werk als Afscheidsbegeleider werkte ik ruim 25 jaar als geestelijk verzorger in de psychogeriatrie. Het was mijn dagelijks werk om bezig te zijn met de religieuze beleving van ouderen die een kwetsbare periode in hun leven meemaken, niet meer voor zichzelf kunnen zorgen en aangewezen zijn op verpleeghuiszorg.

In mijn werk als geestelijk verzorger had ik persoonlijke contacten, leidde ik kerkdiensten en bijbelgroepen, verzorgde ik spreekbeurten en was ik betrokken bij herdenkingsbijeenkomsten.

Over de mensen en hun familieleden die ik in mijn werk ontmoet heb ik verschillende verhalen geschreven.
In de loop der jaren zijn deze verhalen gepubliceerd in vakbladen, streekkranten, kerk- en personeelsbladen.
Ik noem ze Schrijfsels en op mijn website publiceer ik er enkele.
Zomaar, als een proeve van bekwaamheid...

Ook al lijkt het verhaal bedrieglijk echt, elke gelijkenis met bestaande gebeurtenissen en/of personen berust op toeval.

Het spreekt vanzelf dat er op deze verhalen copyright rust.
Maar wanneer lezers ze willen gebruiken verleen ik bijna altijd toestemming,
Het is wel zo netjes als dat per e-mail even gevraagd wordt….
Ik stel het op prijs als de bron vermeld wordt.

Gaan waar geen weg is

Gedateerde beelden
5 jaar terug
een moment in de tijd
een land over zee
ver van ons bed
voor velen na aan het hart

Een volk van slaven
koloniaal verleden
vreemde overheersing
mensen nergens thuis
ontworteld
met harde hand geslagen
door politiek spel
en economisch belang

En toch....
van binnenuit
geroepen tot opstand en verzet
de vrijheid omhelzend, onafhankelijk volk
helden tegen wil en dank
men laat zich niet langer knechten
In de wereld de eerste zwarte republiek
vrijheidsstrijders,
trotse mensen

Die middag, 5 jaar geleden om 7 voor 5:
aardplaten schoven ineen
de aarde beefde, schokte
verdwijnende grond onder de voeten
een ondeelbaar ogenblik
gegrift in herinnering.

Nietsvermoedende mensen
bezige vaders en moeders
spelende kinderen
hun leven viel stil
verwoest landschap
spoor van totale vernietiging 
dood en verderf
gemis en vervreemding
sprakeloos verdriet
onuitwisbare littekens

Het vervolg is bekend
wij kennen de verhalen van horen zeggen
sommigen van dichtbij
de gevolgen daar zijn nog steeds voelbaar
families van elkaar gescheiden
gezinnen uiteen gerukt
kinderen zonder ouders
ouders zonder kinderen
puinhoop van bestaan
leven in een sloppenwijk 
mensen zonder vangnet
moesten en moeten overleven
in een genadeloze tijd.

Wat betekent ons gedenken?
Een minuut stilte om wat anderen overkwam...
Veelzeggende stilte...
in gedachten terugkijken
gedateerde beelden
kunnen wij werkelijk delen in hun diepste pijn?
de verscheurdheid helen
het leed verzachten, lijkt onbestaanbaar...

Haïti, land van onzichtbare helden
vechters, knokkers,
levend vanuit een oerkracht
die richting toekomst wijst

Wij gedenken
Zij overleven
van vroeger naar later
zij gaan waar geen weg is...

 

(Zondagavond 11 januari 2015 was ik aanwezig in de Geertekerk in Utrecht bij de herdenking van de aardbeving in Haiti, op 12 januari, precies 5 jaar geleden.
Het was een mooie ingetogen bijeenkomst in een goede sfeer, zoals Haitianen dat kunnen. Denkend aan de verschrikkelijke gevolgen van de aardbeving en in verbondenheid met het volk en land van Haiti via mijn dochter Talitha, schreef ik bovenstaand gedicht)

Dirk

Mijnheer, heeft u Dirk gezien?"
Om de paar minuten stelt ze dezelfde vraag: "Heeft u Dirk gezien?"
Dirk is de man die sinds een jaar of tien haar partner is.
Iedere middag om twee uur komt hij op bezoek. Dat is vaste prik en dat weet ze, maar ze vergeet het wel eens en dat komt steeds vaker voor. Vandaar dat ze hem voortdurend loopt te zoeken.
Om half twee zit ze al in de ontmoetingsruimte van het verpleeghuis. Ze heeft een plaatsje gekozen vanwaar ze de deur in de gaten kan houden. Als hij binnenkomt stralen haar ogen en ze oogt als een verliefde jonge meid. Dirk blijft de hele middag en ze zitten dicht bij elkaar, hand in hand, net twee tortelduifjes.
Ze drinken een kopje koffie, een kopje thee en hij vertelt haar wat hij heeft gedaan toen hij niet bij haar was. Ze geniet en dat is haar aan te zien. Het zijn voor haar de mooiste uren van de dag.

Dirk, die naam schiet in haar gedachten als ze 's morgens wakker wordt.
Ze kijkt om zich heen, maar ziet hem nergens.
Aan de zuster die haar helpt om uit bed te komen, vraagt ze waar Dirk toch is.
"Dirk is thuis, mevrouw, en vanmiddag komt hij op bezoek."
In haar ogen lees je verwarring. Dirk thuis, maar hij was toch net nog hier?
En als Dirk thuis is, waar is zij dan?
Haar ogen zijn vraagtekens.
Zij zal het die ochtend nog wel eens vragen, tientallen, misschien wel honderden keren: "Heeft u Dirk gezien?" Als ze iemand treft die iets van haar situatie afweet, krijgt ze te horen dat Dirk vanmiddag komt. Vanmorgen heeft hij andere dingen te doen, moet hij zijn boeltje bijhouden, stoffen, stofzuigen, ramen zemen, enz. Ze weet het weer (voor even) en beaamt het grif: "Dirk is toch wel zo'n goeie ziel, altijd in de weer. Ze heeft het toch maar met hem getroffen."
Haar ogen glanzen als ze over hem praat. Ze schuifelt verder, op weg naar de volgende. En je weet wat haar volgende vraag zal zijn: "Heeft u Dirk gezien?"

Maria

"Dominee, mag ik u iets vragen?"
Ik was net klaar met m'n verhaal. Het ging die ochtend in de bijbelgroep van het verpleeghuis over Pasen. Ik vertelde het verhaal van Maria Magdalena die ontredderd was omdat ze net had ontdekt dat het lichaam van haar Heer niet meer in het graf lag.
Maria loopt door de graftuin te dwalen, niet wetend wat ze nog met haar leven moet.
En dan heeft ze een ontmoeting met de tuinman. Hij spreekt haar aan en noemt haar naam: "Maria!" Maria krijgt de verrassing van haar leven, want in die tuinman herkent ze de opgestane Heer.
"Dominee, mag ik u iets vragen?"
De bewoonster die me aansprak keek me met grote ogen aan. "Weet u, ik heet ook Maria. Louise Maria, net als die Maria uit het verhaal. Ik heb nooit geweten dat ik naar die Maria heet, de vrouw die zo dicht bij Jezus in de buurt was."
"Wat denkt u," ging ze verder "zou mijn moeder me daarom zo'n mooie naam gegeven hebben, omdat ze me wilde vernoemen?" Het antwoord op die vraag moest ik schuldig blijven en ik zei haar dat ik dat niet zeker wist, maar dat het heel goed mogelijk was.
Aan haar gezicht was te zien dat mijn antwoord er helemaal niet toe deed. In haar herinnering was ze bij de moeder bij wie ze kind was geweest, en die haar waarschijnlijk ook verteld had van de Here Jezus die haar allergrootste vriend wilde zijn.
Ik zag ook nog iets anders. Ik zag Louise Maria in de Paastuin met de Tuinman in gesprek. Ze was de gelukkigste vrouw op aarde omdat zij zojuist haar naam had horen noemen: "Maria!" en dat maakte haar dag helemaal goed.

Mijn vader is een weduwnaar met een vrouw

Zo verwoordde de jongste zoon de eenzaamheid en het verdriet van zijn vader tijdens de periode van dementie van zijn moeder: "Een weduwnaar met een vrouw".
Jarenlang bezocht de man zijn vrouw in het verpleeghuis. Gedurende die periode had hij nauwelijks contact met haar. Ze lachte lief naar hem zoals ze naar iedereen lief lachte. Dat hij ruim 50 jaar haar wettige echtgenoot was en lief en leed met haar deelde, was uit haar herinnering weggevallen.
Hij was trouw en kwam bijna iedere dag. Zijn leven was zo met het hare verweven dat hij zelf geen leven meer had. Hij deed het huishouden en dacht aan haar, stapte in de auto om voor een paar uur bij haar te zijn en kwam terug in een leeg huis.
Als hij weduwnaar was geweest, dan had hij - ondanks de rouw en de pijn om het afscheid - zijn leven wellicht weer inhoud kunnen geven en misschien nog wat kunnen genieten van kinderen en kleinkinderen.
Maar hij had nog een vrouw die hij, koste wat kost, wilde overleven. Als zij er niet meer was, kon ook hij rustig de ogen sluiten.
Zijn wens is vervuld. Vijf weken na het onverwachte overlijden van zijn vrouw, stierf ook hij. Even onverwacht, maar wat betekent dat woord in zo'n situatie?
In mijn herinnering leeft hij voort als een van de mensen voor wie ik grote bewondering heb. Die het dan toch maar aandurven om de zorg voor de partner of ouder uit handen te geven en misschien is dat moeilijker dan in de thuissituatie te blijven aantobben.

Een terloopse opmerking

Het was een wat terloopse opmerking, hij had z'n bed weggegeven. Hij had het toch niet meer nodig. Jarenlang hadden er 2 bedden dicht naast elkaar gestaan, voor z'n vrouw en voor hem. Maar dat ene bed werd al jaren niet meer beslapen. Sinds z'n vrouw in het verpleeghuis was opgenomen stond het ongebruikt in de slaapkamer, naast het zijne. Hij werd er dagelijks mee geconfronteerd en nu had hij eindelijk de moed opgebracht om het weg te doen.

Een terloopse opmerking, maar als je goed luistert hoor je het verdriet en de eenzaamheid. Dat is de keerzijde van een opname in het verpleeghuis. Er komt een moment dat je ook zelf moet toegeven wat anderen allang weten, nl. dat er geen andere oplossing is. Je kunt nu eenmaal geen 24 uur lang de zorg voor je partner dragen. Als ook bij jou de jaren gaan tellen is dat niet vol te houden. En dan, na lang wikken en wegen, breng je de ander weg, met een hart vol pijn. En aan de avond van die dag slaap je voor het eerst - sinds lange tijd - alleen. Je ligt lang wakker, het is vreemd stil, pijnlijk (on)gewoon.
Er is geen ander naast je met wie je nog even de dingen van de dag kunt doorpraten, geen lief lichaam met wie je nog iets van intimiteit kunt delen, geen nachtzoen, geen streling, zelfs geen welterusten.

En dan - als je er een beetje aan gewend bent - komt er een dag waarop je de moed vindt om dat bed weg te doen, een ander kan het goed gebruiken. En je neemt - voor de zoveelste keer - afscheid van iets dat voorgoed voorbij is, en dat iets staat voor vertrouwdheid, een praten zonder woorden, een samen slapen en samen wakker worden, een ontbijtje en alles wat er bij je-leven-samen hoort. Wie zei dat ook weer: afscheid nemen is een beetje sterven...

“Wil mij behoeden en op handen dragen…”

Soms vloeien bijbelse verhalen en persoonlijke beleving naadloos in elkaar over.
Dit overkwam mij toen ik dit voorjaar een preek maakte over de genezing van een bezeten mens, een verhaal dat we vinden in Lukas 8: 40-56. Een bezeten mens is iemand die beheerst wordt door een ander, hij is bezet gebied, hij hoort stemmen die hem alle kanten op sturen….

In dezelfde tijd verbleef mijn dochter op Haïti, een paar dagen na de alles verwoestende aardbeving op 12 januari, is zij er naar toe gegaan. Dat was toch gepland, zij zou er onderzoek gaan doen in het kader van haar studie, maar door de aardbeving werd alles anders. De mensen op wie zij haar onderzoek zou richten zijn om het leven gekomen en plotseling stond zij voor de taak om in een split second haar onderzoeksdoelen opnieuw te formuleren. Zij verbleef bij de allerarmsten op aarde, mensen levend in een tentenkamp met slechts een handjevol rijst en een slokje water. Tot begin mei werd er op straat geslapen omdat naschokken iedere keer weer voor paniek zorgden. Van al die miljoenen die de wereld bijeen bracht hebben de mensen op Haïti nog maar weinig gezien. Mijn dochter is hier in Nederland opgegroeid, maar geboren in Haïti en daar is haar huidskleur ook naar. Zij spreekt inmiddels goed Creools, de inheemse taal, en heeft daardoor een voorsprong op alle hulpverleners die daar ook werken, maar vanwege diepgeworteld wantrouwen, weinig ingang vinden bij de lokale bevolking.

Zeker in de maanden van chaos na de aardbeving was men zodanig in verwarring dat de lontjes kort waren. Er waren voedselrellen waar mijn dochter soms ongewild getuige van was en er midden in verzeild raakte. Zoals die ene keer dat buitenlandse militairen met 6 man hun karabijnen op haar richtten om haar de doorgang te belemmeren, een angstig moment. Toen haalde ze haar Nederlandse paspoort te voorschijn en hield dat boven haar hoofd. Dat hielp, de militairen deinsden terug, werden, als het ware, heel klein en dropen af. En ook in andere levensbedreigende situaties verrichtte het Nederlandse paspoort wonderen en werkte het als een volmacht, een schild en bescherming om de vijand te laten afdruipen.

Waarom ik u dit vertel, omdat het naar mijn idee raakt aan de positie die Jezus inneemt zodra Hij aan land stapt om de mensen een hart onder de riem te steken en de confrontatie beleeft met die bezeten mens. Zijn volmacht wordt erkend, die kwade geest die in die man huist, begint bij voorbaat al te schreeuwen. Jezus heeft geen paspoort nodig om te laten zien en om de vijand te overtuigen, zodra Jezus in de buurt komt weet die vijand dat hij verloren heeft.

Wat moeten wij met dit verhaal?
Als we eerlijk zijn tegen onszelf moeten we bekennen dat er in ieder van ons wel iets zit van die bezeten mens. Dat lezen we aan het eind, als de mensen uit de stad komen kijken als ze horen wat er is voorgevallen met die bezetene en met die zwijnen. Ze willen met eigen ogen zien en Lukas tekent op dat, als ze die man zien zitten aan de voeten van Jezus, gekleed en bij zijn volle verstand, ze door schrik worden bevangen. Wat zegt dat over ons, over een samenleving die schrikt als er een echt normaal mens aan Jezus’ voeten zit? Hij voegt zich niet in het patroon van de gewone mensenwereld die uiteindelijk te allen tijde kiest voor zichzelf. De gek tussen de graven, dat is ons spiegelbeeld. Daar kunnen wij wel mee leven, dat vinden wij normaal. Zoals die soldaten in Haïti het normaal vonden om met 6 man sterk een jonge vrouw onder schot te houden.

Het evangelie van Jezus Christus vertelt de verhalen van het Koninkrijk van God. Dat is toekomstmuziek, daar kunnen we alleen van dromen. Wij leven in deze wereld, dit is de werkelijkheid van vandaag, hier heerst de realiteit van de chaos en de kilte. Wij kunnen alleen overleven als God zijn liefde als een mantel om ons heen slaat, ons behoedt en op handen draagt.

Een herinnering

Eindelijk is ze gestorven. Het heeft zo lang geduurd.  Even in de vijftig was ze, de vrouw die mij deed delen in haar leven, in haar lijden, in haar gedachten, in haar gevoelens van angst en pijn. Het contact was moeizaam op gang gekomen. Wat moest ik ook bij haar, ik, man van de kerk, bij iemand die er niets ‘aan deed’.  Maar je moet een relatie de kans geven om te groeien en dat gebeurde. Na enkele bezoeken vroeg ze of ik terug wilde komen, ze vond het wel fijn om eens te praten. Ze was niet kerkelijk, zelfs niet gelovig, wel gedoopt, op de zondagsschool geweest en had van haar moeder geleerd om te bidden. Maar toen ze ouder werd en verantwoordelijkheden kreeg  had ze het geloof van haar kinderjaren achter zich gelaten. Het deed haar niets meer, ze kon er niet mee uit de voeten. “U weet hoe dat gaat”, zei ze. Nou dat wist ik niet, maar ik kan het me wel voorstellen. Jonge mensen met een kerkelijke achtergrond, die bij het ouder worden het geloof vaarwel zeggen omdat ze in deze wereld zo weinig van God kunnen ontdekken. Zo was het bij haar ook gegaan, maar nu ze ziek was en het ernaar uitzag dat ze niet meer beter zou worden, werd ze tegen wil en dank gedwongen na te denken over haar leven, om “de balans op te maken” zoals ze zei. Flarden van vroeger kwamen terug, een fragment uit een kindergebed: “Ik ga slapen, ik ben moe, ‘k sluit mijn beide ogen toe. Here, houd ook deze nacht over mij getrouw de wacht”.

Voor iemand die (naar ze zei) nogal ongelovig was, ging ze verrassend diep op de dingen in. Je probeerde antwoorden te geven, zo goed en zo kwaad als het ging. Soms werd je er bijna wanhopig van. Maar hoe was zij er aan toe? Als ze ’s nachts wakker lag, de pijn door haar lichaam gierde en de waarheid onder ogen moest zien; zij, die zo aan het leven hing, van de natuur hield, zo graag nog eens in het zonnetje in de tuin wilde zitten, een lente mee wilde maken (al was het er maar één!). Mocht je deze mens met haar vragen en twijfel laten sterven zonder dat je alles geprobeerd had om haar verder te helpen? Is dat menselijk?

Toen kwam het moment dat ze me vroeg met haar te bidden. Een moment waarop er van alles en nog wat door je heengaat en je jezelf in je kleinmenselijkheid (of is het ongeloof) afvraagt of het wel zin heeft te bidden met iemand die er zo weinig van gelooft? Maar dan gooi je alles overboord wat je ooit leerde, theologische kennis over mensen die er (volgens ons) wel komen en die er niet komen (over hemel en hel en wat dies meer zij). Een moment waarop je haar hand pakt, je ogen sluit en samen bidt om een wonder, om verlost te worden van angst en pijn, om geloof, om een zachte dood, om ….. God mag het weten!

Wat is dat in een mens dat hij op ’t eind van z’n leven zoekt naar een spoor van God?
Heeft zij het gevonden? Ik weet het niet. Er is geen mens die ’t weet en misschien hoeven we ’t ook niet te weten.
Zij is gestorven, eindelijk! Het was een verlossing voor haar, voor ons allemaal. Ik ben blij, dat ik haar heb gekend, dat ik een eindje met haar mee mocht lopen. Ik hoop, nee, ik geloof! “God hebbe haar ziel”.

Mensen met een naam en een gezicht...

Dit jaar zou ze 60 zijn geworden.

Het meisje dat in de laatste uren voor de ramp werd geboren en wiens bestaan nooit geregistreerd werd.

1835 slachtoffers waren er te betreuren en daar waren haar vader en moeder ook bij.

Zij niet, dat zij er ooit geweest was en even geleefd heeft, is in de consternatie van de watersnoodramp in 1953 verloren gegaan. Tot er in familiekring nog eens over gesproken werd en er herinneringen werden opge­haald. Namen en gezichten passeerden de revue en zo kwam het kind boven water. Hoe gaan dat soort dingen, ik denk maar even hardop... "....

Die verre nicht van ons, pas getrouwd, ze was zwanger.... wat zou er van dat kind geworden zijn...?" En dan raakt zo'n vraag weer in het vergeetboek, nare herinneringen laat je toch zoveel mogelijk rusten....

Toen enkele jaren geleden de plannen voor de 50-jarige herdenking van de ramp werden gemaakt kwamen ook de verhalen weer boven tafel. Ooggetuigen, overlevenden van toen, vertelden - met een brok in de keel - wat ze hadden gezien. Hoe hele huisgezinnen door het kolken­de water werden verrast en geen schijn van kans hadden.

­Slachtoffers van toen kregen in de verhalen een naam en een gezicht en opnieuw kwam die verre nicht ter sprake en het verhaal van haar zwangerschap, van het "moetje", waardoor ze geïsoleerd raakte van haar familieleden. Het inspireerde een ijverige journa­list om nog eens de lange namenlijst met slacht­offers na te lopen en na 50 jaar bleek dat er nog een slachtoffer te betreuren was....

52 jaar na de ramp is de lijst compleet, niet 1835 maar 1836 mensen lieten bij de ramp het leven. Het meisje kreeg een naam en een gezicht. Dat betekent, ze is er geweest,  heeft bestaan en daardoor recht op een naam.

Met een naam zijn we bekend bij God en mensen.

Dit jaar zou zij 60 zijn geworden...


 

 

Peter Stam
Afscheidsbegeleiding
Schildershof 36
4871 KT Etten-Leur

06 – 226 99 249

afscheidsbegeleiding@gmail.com



copyright by Peter Stam | 2009